Ofwel: Een lekker verhaal over Suikerbossies

Tekst en foto’s: Bart Siebelink

Dit wordt een beetje een raar verhaal met enkele zeer expliciete passages, dus wees gewaarschuwd. De inleiding kun je overigens gerust nog lezen, die is volstrekt safe, want zonder pikante details al spannend genoeg. Ik geef wel een seintje wanneer de rode-oortjes-sectie begint.

We nemen je mee naar Zuid-Afrika, regio Kaapstad om precies te zijn. Denk je bij de Zuid-Afrikaanse natuur aan safari met de big five en zo? Dan zie je het meest unieke over het hoofd, want al dat grootwild zit immers ook in andere landen. Maar weet je wat echt totaal uniek én spectaculair is? De Kaapse plantensoorten! Mij zal het niet verbazen als deze ooit worden uitgeroepen tot achtste wereldwonder!

Eigen plantenrijk

Om dat te snappen even een mini-college Botanie. Wetenschappers hebben namelijk alle planten van de wereld verdeeld in slechts 6 floristische regio’s (zeg maar gerust koninkrijken). Zo vormen alle soorten van het hele noordelijke halfrond één regio: de Holarctische. Dus van Zonnedauw tot Beukenboom en van Maretak tot Boterbloem; allemaal Holarctisch. De vegetatie van de tropen valt uiteen in Neotropisch (Zuid- en Midden-Amerika), Paleotropisch (Afrika en Zuid-Azië) en Australisch. De Zuidpool heeft vervolgens zijn eigen Antarctische plantenrijk. En dan blijft er nog één over voor een piepklein gebiedje en dat is, jawel, de Kaap! Dat zuidelijkste puntje van Afrika herbergt een eigen vegetatie met maar liefst 7000 soorten die nergens anders ter wereld voorkomen.

Fynbos

Ze-ven-dui-zend! Hoe is dat mogelijk, vraag je je af. Als je elke soort beschouwt als uitkomst van miljoenen jaren evolutie, is het daar aan de Zuidkaap wel heel erg hard gegaan. Valt dat te verklaren? Jazeker, maar dat doen we straks. Laten we eerst even stilstaan bij het Fynbos. Het wat? Het Fyn-bos! Dat is een typische Afrikaanse term waarmee de overheersende begroeiing van de Kaapse plantenregio wordt aangeduid. Klinkt het jou in de oren als een bos met dunne, fijne boompjes? Dan zit je in de juiste richting. Want inderdaad, de merkwaardige naam (die trouwens in de meeste talen is overgenomen) slaat op de voor bouwhout ongeschikte dunne stammen van de struiken.


Typerend voor Kaapse florarijk: een bonte weelde van diverse soorten heide

50 tinten heide

De hellingen van de Tafelberg en het hele het Kaapse schiereiland staan vol met fynbos. Dat schijnt trouwens extra goed te gedijen bij een hoge milieudynamiek (lees: als het af en toe afbrandt), maar dit terzijde. Veel fynbos-soorten zijn daarop aangepast. En wat die fijne houterige struikjes betreft; dat is vooral heide. Niet één soort zoals bij ons, maar legio, plenty, overweldigend. Je hebt daar 50 tinten heide in allerlei bloemvormen, -kleuren en formaten. Uiteenlopend van fijn en vertakt tot groot en fles- of buisvormig.

Vliegende edelsteentjes

De enige vogels die daar hun snavel tot de bodem inkrijgen zijn de Honingzuigers, die eruit zien als kolibries. Vliegende edelsteentjes, die van bloem-tot-bloem-trekkend gemakkelijk voor de lens verschijnen. Zoals de Oranjeborsthoningzuiger (Orange-Breasted-Sunbird) en de Kaapse Suikervogel (Cape Sugarbird) met zijn lange franjestaart. Je raadt het al, ook deze vogelsoorten zijn endemisch, wat inhoudt dat ze nergens anders ter wereld voorkomen.


De Orange-Breated Sugarbird (Oranjeborst-Honingzuiger) past met zijn snavel precies in de grote bloem van deze heidesoort. Rechts de (zeer algemene) Southern Double-Collared Sunbird (Kleine Kraaghoningzuiger).


De Kaapse Suikervogel, ook een endeem. Gespecialiseerd op het zuigen van nectar uit Protea-bloemen.


Kaapse Suikervogels verdedigen ‘hun’ struiken tegen concurrenten.

Protea’s – Suikerbossies

Een andere, voor het fynbos zeer kenmerkende plantenfamilie, zijn de struiken van het geslacht Protea met hun opmerkelijke bloemen in de vorm van een speldenkussen. De Afrikaner noemen ze liefkozend Suikerbossies (van dat liedje ‘Suikerbossie, ‘k wil jou hè”. Misschien ken je het nog wel).  Afijn, die bloemen dus, functioneren op compleet andere wijze dan de ons bekende planten. Wist je dat de grootste soort, de Koningsprotea, zelfs de nationale bloem is van Zuid-Afrika?


Een gele variant van de typische Protea’s met bloemen in de vorm van een speldenkussen.

Maar als er één protea mijn (fotografische) hart heeft gestolen, dan is het wel de rode Leucospermum. Eén enkele bloem vormt een wereld op zich, waarin je heel lang met je camera bezig kan zijn omdat je aan alles voelt dat er een spannend beeld in zit. Vergelijk het maar met de uitdagende bloemvormen van een orchidee. Het is gewoon weird wat je door je zoeker ziet wanneer je over dit rozerode suikerbossie gebogen staat. Ondertussen probeer je ook de snappen hoe de bloem functioneert en dat leidt tot onthullende inzichten.


Zo ziet de hele bloem eruit. Je kan alle bloei-stadia aflezen. Het moeilijkste is om voldoende scherptediepte te krijgen zonder dat de achtergrond te druk wordt. Een macro-objectief of groothoek in combinatie met een dunne tussenring komen daarbij goed van pas.

Behaarde schede

Let op, Nu komt het rode-oortjes-gedeelte. De bleekroze meeldraden beginnen klein en steen in een schede die bekleed is met pluche-achtige zachte lichte haartjes. Naarmate de meeldraden uitgroeien tot dikke, harde roze stelen, beginnen ze steeds meer uit de schede te puilen. Ze gaan steeds meer krom staan en vormen boogjes, waarvan alleen de kop nog klem zit in de behaarde opening die van binnen steeds roder begint aan te lopen. De druk neemt verder toe, op een gegeven moment is er geen houden meer aan en…pats! Dan plopt de meeldraad los en priemt hij fier de buitenlucht in. Aan het uiteinde van zijn verdikte kop kleeft een ladinkje gele stuifmeelkorrel, bestemd om via een vogel of insect op een andere bloem te belanden. De nu lege schede heeft ook al die tijd onder spanning gestaan en krult zodra de meeldraad is uitgeplopt, prompt de andere kant op. Daarbij neemt ze de vorm aan van een spiraal waarbij de glanzend vleesrode binnenkant schaamteloos aan de buitenwereld wordt blootgesteld. De zachte haartjes van het buitenpluche steken nu als lilakleurige toefjes aan weerszijden uit het opgerolde rode kokertje. Als de zon erop schijnt, lijken het wel feestelijke kerstpakketjes. De rode kleur dient vermoedelijk als signaal om bestuivers te lokken.


“een schede, bekleed is met pluche-achtige zachte lichte haartjes”

Heerlijk om met een stevige overbelichting de sprookjesachtige bloemkern te laten zien.


“De zachte haartjes aan de buitenkant van de schede vormen nu toefjes die aan weerszijden uit het opgerolde rode kokertje steken, het lijken wel feestelijke kerstpakketjes”


De gele stuifmeelkorrels aan het uiteinde van elke meeldraad.

Niet in tuincentra

Ik was zo geboeid door dit alles dat ik me begon af te vragen waarom de proteastruiken eigenlijk niet massaal in de Nederlandse tuincentra te vinden zijn. Bij de bloemist willen ze nog wel eens opduiken als pronkstuk, maar hele struiken? Nooit gezien. Op Internet lees ik een veelvoud van verklaringen. Dat de wortels buitengewoon gevoelig zijn, dat Z-Afrikaanse producten ten tijde van de apartheidsregime jarenlang zijn geboycot, dat ze niet tegen ons klimaat kunnen, dat de zaadjes pas kiemen als ze eerst verbrand zijn geweest. Zonder na te gaan of al die verhalen kloppen, bevestigen ze wel de conclusie dat je in Nederland bij mijn weten helaas nergens bloeiende struiken met speldenkussen-protea’s kan bewonderen.

Geraniums

Dat staat in schril contrast met veel andere Zuid-Afrikaanse planten die bij ons juist populair zijn omdat ze in het najaar bloeien (wanneer in Z-Afrika de lente begint). Het bekendste voorbeeld is zonder enige twijfel de geranium. Niet de Ooievaars- en reigersbekjes die we in onze natuurgebieden vinden, maar de heerlijk truttige balkonbak-geranium (die eigenlijk Pelargonium heet).

Kaaps ‘eiland’

Tot slot het laatste puzzelstukje over het ontstaan van die extreem soortenrijke rijke Kaapse flora. Voorwaarde voor het ontwikkelen van een rijke biodiversiteit is een langdurig isolement van het gebied. Zo tierden bij voorbeeld de buideldieren nergens zo welig als in het afgezonderde Australië. Maar ja, dat is dan ook een eiland. Van de Kaapse regio kunnen we dat niet zeggen. Of toch wel? Het ligt landschappelijk volledig afgezonderd door grote woestijnen, zoals de Namib- en Kalahari in het noorden en de Karoo in het westen. Dus toch een eiland, in zekere zin dan.

Zelf fotograferen?

Van 25 aug – 7 september 2018 leid ik een natuurfotoreis naar Z-Afrika, waarop je alles met eigen ogen kan zien. Voor meer info, kijk op:

http://mentornatuurfotografie.nl/%20activiteit/zuid-afrika2018/